Niveau 4 · 13 jaar en ouder (onderbouw voortgezet onderwijs)

Op dit niveau verfijn je het telwoord in hoofdtelwoord en rangtelwoord, en leer je vier nieuwe soorten voornaamwoorden: wederkerend, wederkerig, betrekkelijk en onbepaald. Alle woordsoorten van de vorige niveaus blijf je gebruiken.

Uitleg

Hoofdtelwoorden

Een hoofdtelwoord geeft aan hoeveel er van iets zijn: een, twee, tien, honderd, duizend. Dit is de meest voorkomende soort telwoord.

Voorbeelden: twee appels, honderd euro, duizend sterren

Rangtelwoorden

Een rangtelwoord geeft aan op welke plaats iets staat in een volgorde: eerste, tweede, derde, vierde, laatste.

Voorbeelden: de eerste dag, de derde plaats, de laatste keer

Wederkerende voornaamwoorden

Een wederkerend voornaamwoord hoort bij een wederkerend werkwoord en verwijst terug naar het onderwerp van de zin: zich, me/mij, je/jou, ons, jullie, bijvoorbeeld in 'zij wast zich' of 'ik verveel me'.

Voorbeelden: zij wast zich, ik verveel me, wij haasten ons

Wederkerige voornaamwoorden

Een wederkerig voornaamwoord geeft aan dat twee of meer personen iets voor elkaar of met elkaar doen: elkaar, elkander.

Voorbeelden: ze helpen elkaar, ze groeten elkander

Betrekkelijke voornaamwoorden

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord dat net genoemd is en begint een bijzin: die, dat, wie, wat. Soms staat er geen duidelijk antecedent en betekent 'wie' zoveel als 'degene die'.

Voorbeelden: de hond die blaft, het huis dat te koop staat, wie dit leest

Onbepaalde voornaamwoorden

Een onbepaald voornaamwoord verwijst naar iets of iemand zonder dat precies te zeggen: iemand, iets, alles, niemand, niets, sommige, elke, enkele, geen.

Voorbeelden: iemand belt aan, alles is klaar, niemand weet het

Oefeningen

Bij elke oefening zie je alleen een thema — geen woordsoort en geen nummer. Lees de zinnen en ontdek zelf welke woordsoorten aan bod komen. Dat is precies de bedoeling: goed woordbenoemen betekent dat je een woordsoort herkent zonder dat iemand het je voorzegt.